De Covid-19 app is geen politiek neutrale oplossing

De Covid-19 epidemie brengt onze samenleving geen nieuwe uitdaging. Kankers, hart-en vaatziekten of psychische aandoeningen stelden ons reeds voor het probleem welke sociale interventies we als samenleving wilden gebruiken om ze te vermijden en te behandelen. Dit probleem kan je niet loskoppelen van de vraag welke samenleving we willen. Ook de beslissing over het invoeren van een contact-tracing app situeert zich in die bredere vraagstelling. Politici en virologen zijn verkeerd wanner zij de app voorstellen als een politiek neutraal instrument om een tweede golf te temperen.

Veel mensen dragen een smartphone bij zich. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat begeleidt de smartphone het ritme van hun dag. Doorheen dat proces verzamelt het apparaat een grote hoeveelheid informatie. Het lijkt evident het potentieel van die smartphone ten goede in te zetten voor het verzamelen van informatie die de verspreiding van Covid-19 kan tegengaan. Los van technische en juridische bekommernissen om privacy zijn er redenen om die evidentie in vraag te stellen.

De efficiëntie van de contact-tracing app, zelfs als loutere aanvulling op traditionele contact opsporing, staat of valt met het aantal gebruikers en vooral de verantwoordelijke toepassing van de app door die gebruikers. De app werkt alleen als de positie van je smartphone een representatie is van de positie van jouw lichaam ten opzichte van andere lichamen. Het verantwoordelijke gebruik van de app houdt dus in dat gebruikers hun smartphone op hun lichaam houden. De smartphone even laten zitten in je handtas of je jaszak is niet langer evident van zodra die handtas of jaszak niet dicht bij jou ligt, om welke reden dan ook – bij de kapper, op bezoek bij vrienden of in een locker op het werk. Enerzijds verhoogt laks gebruik de kans dat de app je niet verwittigt wanneer je wél lang genoeg in de buurt was van een besmet persoon (dat is niet goed voor het algemeen belang). Anderzijds verhoogt het ook de kans dat je in quarantaine komt of getest moet worden, ook al was je niet lang genoeg in de buurt van een besmet persoon (dat is niet goed voor jouw persoonlijk belang). Een verantwoordelijke gebruiker van de app moet dus onophoudelijk bekommerd zijn om de verhouding tussen het eigen lichaam en de smartphone.

Veel mensen staan er niet meer bij stil dat hun telefoon altijd op hun lichaam is. Het is een gewoonte geworden. Tot nu toe is die gewoonte nog nooit gebruikt voor beleid.

Hierdoor introduceert de app een nieuw verwachtingspatroon voor het gebruik van een smartphone. Normaal kan de gebruiker zelf kiezen op welk moment de smartphone een representatie mag zijn van het eigen lichaam, bijvoorbeeld tijdens het joggen of het navigeren doorheen een onbekende stad. Wanneer je er echter voor kiest de contact-app te gebruiken, neem je de verantwoordelijkheid op om je smartphone zo veel als mogelijk te gebruiken alsof die de plaats van jouw lichaam representeert. Zelfs verstokte smartphone gebruikers moeten beseffen dat het gebruik van hun toestel een nieuwe betekenis krijgt wanneer zij de app installeren: een installatie brengt een constante bekommernis mee over de verhouding tussen je telefoon en je lichaam.

Voorstanders stellen het invoeren van de app voor als een onschuldig gebruik van data die smartphones sowieso al genereren op dit moment. Maar dat klopt niet: het invoeren van de app creëert nieuwe sociale effecten. Onvermijdelijk is de vraag: willen we ons gebruik van smartphones een onderwerp maken waarop politiek (gezondheid)beleid ingrijpt? Sinds de uitbraak van de epidemie is de cruciale politieke kwestie welke sociale interventies we willen gebruiken om de verspreiding van het virus tegen te gaan en in welke mate. Dit is geen nieuw vraagstuk: sinds de 19de eeuw is de algemene gezondheid van de burgerbevolking een publiek probleem, waarop beleid ingrijpt aan de hand van sociale mechanismen, zoals ziekteverzekeringen, sportverenigingen of belastingen. Op dit moment is de smartphone louter een consumptie product, zoals een fototoestel of een laptop. Hoe, en of je een smartphone gebruikt is een persoonlijke keuze. Het gebruik ervan door de bevolking is nog geen onderdeel van politiek beleid. Vanaf het moment dat de overheid beslist haar gezondheidsbeleid te koppelen aan ons smartphone gebruik, voegt dit een publieke betekenis toe aan een keuze die daarvoor louter persoonlijk was.

Het gebruik van de app zal weliswaar vrijwillig zijn, maar de overheid zal onvermijdelijk het correcte gebruik ervan willen stimuleren via informatiecampagnes. Een app zonder gebruikers heeft immers geen zin. Ook bedrijven zullen geïnteresseerd zijn om het gebruik bij hun werknemers aan te moedigen in functie van de productiviteit van hun onderneming. Wie beweert dat deze verschuiving slechts tijdelijk zal zijn, begrijpt niet wat er op het spel staat. Het invoeren van de app maakt het beleid gedeeltelijk afhankelijk van het gebruik van de app. Die afhankelijkheid, eens geïnstalleerd, draai je niet eenvoudig terug. Zelfs als er binnen een jaar een soort van vaccin komt, houdt dit geen garantie in dat we de app kunnen opbergen. Kiezen voor de app op dit moment is kiezen voor een verschuiving waarin ons gebruik van de smartphone het onderwerp wordt van gezondheidsbeleid.

Deze verschuiving is niet noodzakelijk. De app is slechts een van de vele denkbare strategieën om de verspreiding van het virus tegen te gaan, en zij is zeker niet evident de beste. Het is een strategie die een precedent creëert om een technologisch consumptiegoed als middel van gezondheidsbeleid in te zetten. Bovendien verandert die strategie ook wat het betekent om je smartphone te gebruiken. Zijn we bereid zo te gaan leven dat onze smartphones of andere apparaten de toestand van onze lichamen voorstellen?

Sponsored Post Learn from the experts: Create a successful blog with our brand new courseThe WordPress.com Blog

Are you new to blogging, and do you want step-by-step guidance on how to publish and grow your blog? Learn more about our new Blogging for Beginners course and get 50% off through December 10th.

WordPress.com is excited to announce our newest offering: a course just for beginning bloggers where you’ll learn everything you need to know about blogging from the most trusted experts in the industry. We have helped millions of blogs get up and running, we know what works, and we want you to to know everything we know. This course provides all the fundamental skills and inspiration you need to get your blog started, an interactive community forum, and content updated annually.

11-12-19, Lysistrata: Seksualiteit, Macht en MeToo

In Aristophanes’ Lysistrata beslissen de vrouwen van Griekenland om hun echtgenoten van alle seks te onthouden. Dat vinden de vrouwen zelf geen aangenaam idee, maar ze zien het als een laatste redmiddel. De mannen hebben Griekenland in een oorlog meegesleurd waar geen einde aan komt en waar niemand beter van wordt. Lysistrata, de vrouw die deze seks-staking in gang zet, eist haar rol in de Atheense politiek op uit noodzaak. Tegen een mannelijke magistraat verklaart Lysistrata dat het genoeg is geweest met het bestuur van mannen, een bestuur dat de stad tot op de rand van de afgrond heeft gebracht. “We vroegen ons af waarom wij vrouwen nog langer moesten wachten op jullie beleid. Dus lossen we het nu zelf op. Jullie luisteren vanaf nu naar ons en houden jullie stil zoals wij ons tot nu toe altijd stil hebben gehouden”. 

File:Βάρβιτος Barbiton Barbitón ancient greek instrument.jpg

In klassiek Athena hadden vrouwen geen juridische of politieke rechten: ze konden geen processen aanspannen, geen jury-lid zijn, hadden geen recht om te stemmen in de vergadering en konden geen politiek mandaat opnemen. Lysistrata pleegt in het toneelstuk verzet tegen die orde. Nu de mannen de staat naar de verdoemenis jagen is het nodig om de bestaande balans in het politieke systeem te ontwrichten. Dat doet Lysistrata met het enige middel dat tot haar beschikking staat, dat haar hele gender in het oude Griekenland ter beschikking stond, namelijk de toegang tot haar eigen lichaam. Lysistsrata wil seksualiteit maken tot politiek, een aangelegenheid van de polis, en ze overtuigt alle vrouwen van Griekenland om hun echtgenoten de liefdesact te ontnemen. Geen stemmen, geen redevoeringen, geen veldslagen, maar seks wordt het gewicht van de vrouwen op de politieke weegschaal van Athene. Dat gewicht, eens ingezet, blijkt in het stuk uitzonderlijk zwaar door te wegen: de op seks beluste mannen kunnen hun appetijt naar vrouwelijk affectie niet inhouden en geven op het einde onder het gewicht van hun gigantische erecte penissen toe aan de eisen van de vrouwen. Vrede zal er heersen in heel Hellas!

De plot draait alle verhoudingen tussen mannen en vrouwen in het klassieke Griekenland om: waar vrouwen traditioneel begrepen worden als emotioneel instabiel, zijn de vrouwen hier precies volledig in controle over hun lichamelijke lusten, terwijl de mannen van ontbering omkomen door seksuele onthouding; waar vrouwen normaal gezien politiek onmondig zijn, blijken nu de mannen, onder de last van hun stijgende goesting, niet in staat ook maar één argument tegen de eis tot vrede in te brengen. De magistraat die in het stuk het pleit voor de mannen opneemt, komt niet verder dan de beslissing van vrouwen voortdurend “schandelijk” te noemen. Aristophanes stelt doorheen de plot de mannen als onmondig voor.

Het stuk is een komedie. Aristophanes verdraait de verhoudingen tussen de genders bewust om een komisch effect te creëren. Hoewel het mogelijk is deze omkering als een soort Proto-feminisme te interpreteren, is dat wellicht niet wat Aristophanes zelf voor ogen had, noch hoe het publiek het stuk gelezen heeft. De plot maakt in eerste instantie de Atheense situatie belachelijk – hoe de stad maar niet in staat is om een oorlog te beëindigen die haar fundamenten volledig teniet doet. Dat precies de vrouwen de situatie moeten redden, is wat de plot komisch maakt. Aristophanes is heel hard voor zijn oorlogszuchtige medeburgers: “zelfs vrouwen” hebben een beter inzicht dan zij.

Toch is er meer aan de hand in het stuk. Het gaat niet alleen over de zinloosheid van Athene’s oorlog en het irrationele beleid van de stad. Aristophanes vertelt ook hoe vrouwen politieke macht kunnen opeisen, namelijk aan de hand van hun seksualiteit. Dat is sinds het bestaan van het huwelijk een beproefd (maar zeker niet noodzakelijk gepast) middel om de machtsverdeling binnen het gezin te regelen. Aristophanes begrijpt dat vrouwen (net zoals mannen uiteraard) seksualiteit kunnen gebruiken voor andere doeleinden dan een uitdrukking van hun liefde. Met seksualiteit kan je ook de lusten en emoties van afhankelijken manipuleren om te verkrijgen wat je wil. Hierdoor krijgt seksualiteit een praktische dimensie – het wordt verlaagd tot een tuig, zoals een hamer of misschien toepasselijker een knuppel. De vrouwen plegen in het stuk geweld via hun controle op de mannelijke seksualiteit.

Kalonikè, Lysistrate’s handlanger, vertelt in de eerste scene dat vrouwen enkel goed zijn om thuis te zitten, hun haar met bloemen mooi te maken en hun wangen met rouge op te blinken. Dat minderwaardige beeld op de vrouw wil Lysistrata precies omvormen tot de kern van hun politieke macht: ze zullen hun mannen tot wanhoop drijven door hen seks te ontnemen. Ze zullen zichzelf zo aantrekkelijk als mogelijk maken, de goesting van hun echtgenotes maximaal opdrijven om dan systematisch de seksualiteit van de mannen te fnuiken. In het stuk misbruiken de vrouwen een uiterst kwetsbaar aspect van de menselijke ervaring, namelijk de emoties van geliefden. In de tweede act toont Aristophanes dit ook: Kinesias, de echtgenoot van Myrrhinè, komt naar de Akropolis om te vrijen met zijn vrouw – hij heeft een ontzettende goesting. De sluwe gluiperd bracht in eerste instantie hun jonge baby mee om zijn vrouw met schuldgevoel onder druk te zetten met hem terug naar huis ter keren. Myrrhinè weigert, ze doorziet de list van haar man onmiddellijk. Desalniettemin houdt ze hem aan het lijntje wat de seks betreft. Ze laat het uitschijnen wel een vluggertje te willen. Maar dan wil ze eerst een matras, en daarna moet hij een kussen brengen. Ook dat volstaat niet. Ze eist een laken, en daarna wil ze alvorens de aanstormende mannelijke passie te ontvangen ingeoliëd worden. Kinesias wil al haar eisen volbrengen. Aristophanes toont hiermee hoe seksualiteit gemakkelijk verglijdt naar het stellen en inwilligen van eisen. Ultiem loopt Myrrhinè weg. Ze wil immers van haar echtgenoot geen huisraad of lieve affectie, maar een politieke handeling, de vrede met Sparta. Kynesias blijft wanhopig achter – zijn vrouw heeft zijn passies bespeeld. Zijn seksualiteit werd gebruikt om hem te dwingen tot vrede.

Lysistrata benadrukt doorheen het stuk hoe de vrouwelijke seksualiteit eigenlijk altijd al verweven is geweest met de politiek, ook al nemen de vrouwen nu voor het eerst controle op die verwevenheid. Vrouwen, zo merkt ze op, staan hun echtgenotes en zonen constant af voor het leger, en door gebrek aan huwbare mannen blijven vele jonge vrouwen ongehuwd achter, wat betekent dat zij in hun oorspronkelijke gezin sociaal opgesloten blijven. Hoe ouder een vrouw werd, hoe moeilijker voor haar om nog te trouwen. De Atheense magistraat die met Lysistrata discussieert merkt grappend op dat mannen met een erecte penis, ondanks hun leeftijd, altijd nog kinderen kunnen krijgen. Hij beschouwt het mannelijk geslachtsorgaan op die manier als bewijsstuk voor zijn superioriteit over vrouwen. Geen wonder dat Lysistrata beslist precies die penissen rond haar te misbruiken om de hele scheve situatie terug recht te zetten – op het einde van het stuk lopen de mannen zwoegend en klagend rond met hun oncontroleerbare geslachtsorgaan.

De plot van Aristophanes is niet alleen een komische terechtwijzing van de Atheense oorlogspolitiek. Het is ook een complexe reflectie op de relatie tussen seksualiteit, politiek en macht. In onze eigen tijd komt die relatie vaker expliciet ter sprake, ondermeer in het licht van de MeToo-omwenteling. Vele MeToo zaken gaan over een gelijkaardig fenomeen als wat er in Lysistrata gebeurt: seksualiteit werd ingezet niet als uitdrukking van een liefdevolle verhouding, maar als manipulatie. In Lysistrata komt de manipulatie in de vrouwelijke vorm van onthouding. Bij de MeToo-affaires komen ze meestal in de mannelijke vorm van dwang of dreigement. Telkens gaat het echter over een gebruik van seksualiteit dat voorbij gaat aan liefde, ofwel voor een gebruik als lustvoldoening, ofwel voor een gebruik als machtsmiddel.

Doorheen de plot van Lysistrata spreekt Aristophanes zich niet duidelijk uit of het misbruik van seksualiteit langs mannelijke of vrouwelijke zijde ooit legitiem kan zijn, maar hij legt wel doorheen zijn stuk bloot hoe dat misbruik van de seksualiteit zich in verschillende lagen van het mensenleven onophoudelijk toont, in het gezin en in de polis. In die zin is Lysistrata een herinnering dat seksualiteit in de praktijk vaak verbonden is met macht, en dat seksualiteit als uitdrukking van liefde enkel kan ontstaan wanneer het nastreven van macht en lust er geen plaats in krijgen. De vrouwen in de komedie zijn “panourgos, zoals Lysistrata ze aan het begin noemt, gewiekst, tot alles in staat, zelfs bereid om de seksualiteit in hun huwelijksrelatie te misbruiken voor politiek gewin. Aristophanes beschouwt het feit dat de vrouwen de tafels omkeren niet als een triomf. Hij stelt de samenzwering van de vrouwen voor als een gewiekste zet, niet als een legitieme. De vrouwen benaderen hun seksuele verhouding tot de mannen mechanisch: de seksuele relatie tussen man en vrouw wordt ingezet om een doel te bereiken (politieke vrede) dat extern is aan die relatie.

Dacht Aristophanes dat het mogelijk was om de seksuele verhouding anders te benaderen? In het Symposium fantaseert Plato dat Aristophanes wel degelijk een heel ander beeld had op seksualiteit en liefde dan een wederzijdse uitwisseling van verlangens. In die wonderlijke tekst laat Plato Aristophanes een mythe vertellen over de oorsprong van onze liefde. De mens bestond, zo Aristophanes in zijn mythe, in den beginnen uit niet twee, maar drie geslachten: mannen, vrouwen en man-vrouwen (een geslacht waarvoor we de woorden verloren zijn). Als straf voor onze overmoed hebben de Goden ons in twee gesneden. Liefde is onze zoektocht om opnieuw één te worden, een zoektocht naar onze oorspronkelijke andere helft – een frustrerende zoektocht die desalniettemin onlosmakelijk verbonden is met de gespleten wezens die we zijn. Seksualiteit is de uitdrukking van eenwording: het is het vinden van onze andere helft, het is een één-wording. Seksualiteit zou dus, als zij waarachtig is, een doel bereiken (eenmaking van onszelf) dat intern is aan de relatie tot de ander. 

Vanuit dit standpunt is de samenzwering van Lysistrata puur geweld, absoluut misbruik; maar dan is de hele oorlog veroorzaakt door de mannen dat ook. De mannen stelden de eenmaking met hun wederhelften op een secundaire plaats. Voor hen werd seksualiteit een bijzaak ten aanzien van het prestige van hun stad, en hun verbinding met de vrouwen werd louter een middel tot de productie van kinderen die de oorlog van de stad konden verder zetten. Op het einde van het stuk brengt Aristophanes man en vrouw terug samen: de vrede wordt gesloten met een plechtige eed om nooit meer “verkeerd” te doen. Daarna roept Lysistrata alle koppels op in tweevoud te dansen ter ere van alle goden. Aristophanes zegt niet expliciet wat ze “verkeerd” hadden gedaan. Met hun dans vieren ze de vrede. Letterlijk is dat de politieke vrede tussen Athene en Sparta, maar binnen de plot van de komedie is dat ook een vrede tussen de geslachten, een vrede waarin mannen en vrouwen zouden ophouden seksualiteit als middel te benaderen tot het verkrijgen van hun verlangens.

Lysistrata herinnert een moderne lezer eraan dat die vrede uitermate fragiel is. Precies omdat seksualiteit verbonden is met wat voor ons aanvoelt als een uitermate belangrijk aspect van ons leven, als dat wat ons één maakt, is het ook de gemakkelijkste manier om elkaar te manipuleren. Seksuele verhoudingen tussen mensen zijn noodzakelijk kwetsbaar. Hoewel onze samenleving gelukkig vrouwen structureel veel meer politieke en sociale rechten heeft gegeven dan in het klassieke Athene, en zelfs gedeeltelijk de structurele discriminatie tegenover vrouwen heeft weggewerkt, blijft seksualiteit gemakkelijk een middel tot manipulatie, en dat zal het wellicht altijd blijven. De uitdaging om vrede te vinden in onze seksuele verhouding is eeuwig. We zijn gespleten en fragiele wezens op zoek naar wie ons één maakt, op zoek naar onszelf in de ander. Twee helften uit één geheel. 

28-10-2019, Schermen

Een scherm is een instrument dat de weergave van tekens en beelden kan veranderen. Zo’n instrument is handig omdat het potentieel een oneindig aantal aan tekens en beelden kan reproduceren. De technologie achter schermen is ondertussen zo goedkoop geworden dat je ze overal terugvindt – bijna overal. In de VS is de grens tussen overal en bijna aan het vervagen. In de gang van de universiteit, in de refter, in de lift, in de luchthaven, in de metro, in de wagen, in de bar – schermen spuien constant beelden. Als omstaander is het moeilijk om er niet naar om te kijken. Om een of andere reden trekt je oog als vanzelf naar bewegend beeld. Zo wordt een lift omhoog een mogelijkheid voor de universiteit om haar excellentie bloot te leggen: top-onderzoek hier, beter dan universiteit Y daar. Ook het centrum voor wetenschapsfilosofie heeft haar eigen Mega-tv waarop het de tweets over het centrum in Mega-formaat projecteert, alsof het nodig is in grote letters weer te geven wie er iets over het centrum te zeggen heeft.

7DD6276E-6C98-4508-9821-ACEC4F3C12D1_1_201_a

Schermen hebben zo’n dominante aanwezigheid in openbare en persoonlijke ruimtes dat het belangrijk is om een bewustzijn te creëren dat al die scherm-aanwezigheid onvermijdelijk onze ervaring aantast. Waar past een scherm? Dat is geen eenduidige vraag. Het antwoord verschilt naar gelang ruimte en functionaliteit – schermen hebben uiteraard een nut. Desalniettemin is het antwoord niet: schermen passen overal. Tekens en beelden passen immers niet overal. Tekens en beelden hebben een functie, hun onophoudelijke aanwezigheid is geen onvermijdelijke verbetering van de menselijke ervaring. 

“Waar past een scherm?”, dat is in eerste instantie een vraag die je jezelf moet stellen, omdat de vraag jouw ervaring van schermen verandert, zodat je ze niet langer beschouwd als vanzelfsprekend aanwezig. Plots worden ze objecten van verwondering en bevraging, niet alleen die schermen zelf, maar ook de tekens en beelden die die schermen jou constant verschaffen. De vraag “waar past een scherm” is een vraag die we in de toekomst als mensen ons steeds opnieuw gaan moeten stellen. Smartphones, tv’s, tablets, laptops, infomercial-screens, ze gaan allen alleen in aantal toenemen – we kunnen ons maar beter gaan afvragen waar ze thuis horen. 

16-10-19, Duitsers in Amerika

Wanneer Carl Hempel in Amerika aankomt in januari 1939, heeft hij het onmiddellijk naar zijn zin. De stringente Duitse gemeenschap die bol staat van formele aansprekingen en strikte hiërarchieën ligt nu voor goed achter hem. Ook in de filosofische seminaries gaat het er losser aan toe: er is interactie tussen lesgevers en lesnemers. Er mag al eens een onenigheid geuit worden – wat in een Duitse universiteit bijna onvoorstelbaar was. Hempels vroegere professor aan de universiteit van Wenen, Rudolf Carnap, heeft het heel wat moeilijker met zijn verhuis naar Verenigde Staten. In het koude en vervuilde Chicago vindt Carnap maar moeilijk zijn weg. Hij heeft zijn droomjob nagejaagd, professor aan een prestigieuze universiteit. Maar rust in zijn gemoed heeft hij daar niet mee gevonden.

In juli 1951 stuurt Hempel Carnap een nieuw wit hemd op, gemaakt uit Nylon en niet het gebruikelijke katoen, zo’n typisch Amerikaanse vindingrijkheid die het leven vergemakkelijkt. Carnaps vrouw weet er echter geen blijf mee: het blijkt moeilijk om een Nylon-hemd dat je niet mag strijken, recht te krijgen. Hoe kreeg Hempel dat toch voor mekaar? Die praktische vraag stond echter symbool voor een veel dieper verschil tussen Carnap en Hempel.

9-10-19, Carnaps filosofie van het symbool

In vele opzichten is Rudolf Carnap de belangrijkste vertegenwoordiger van de positivistische en empiristische traditie in 20ste eeuwse filosofie. Evenzeer is het uiterst moeilijk om op basis van Carnaps werk uit te maken wat zijn filosofie precies inhoudt. De commentaren op het werk van Carnap zijn eindeloos divers, en dat zou je niet verwachten van een man die zijn filosofie modelleerde op basis van de wetenschap. Minimalisme is de modernistische manier om Carnaps positie te begrijpen, en volgens mij ook de interessantste.

2016_-_zkm_-_wiener_-_kreis_-_carnap_-_am_-_berg

Wetenschappelijke theorieën vereisen een interpretatie, wat hun doelen zijn en hoe je de efficiëntie van de theorieën ten aanzien van die doelen kunt vaststellen. Traditioneel behelst zo’n interpretatie allerhande epistemologische problemen. Bijvoorbeeld, hoe ziet de wereld eruit op basis van de theorie, welke entiteiten zijn er in de wereld volgens de theorie, hoe verhouden die entiteiten zich tot elkaar (causaal of mereologisch)? Kunnen we op basis van de theorie verantwoord de opvatting hebben dat de wereld is zoals de theorie zegt dat ze is? Dat zijn een aantal traditionele vragen. Carnap wil daarvan af. Een wetenschappelijke theorie hoeven we niet te interpreteren alsof deze ons iets over de wereld zegt, evenmin geeft de theorie ons een inzicht in het wezen van de wereld. Carnap dacht dat de eindeloze debatten over de epistemologische interpretatie van de wetenschap enkel verwarring konden teweeg brengen. Die debatten moest je niet oplossen – je moest stoppen met die vragen te stellen. Voor Carnap was de enige doelstelling van een theorie het ordenen van observaties. Traditionele doelstellingen als “inzicht in de werkelijkheid” hoef je aan wetenschap niet toe te schrijven.

We begrijpen E (het symbool voor elektrisch veld in Maxwell’s vergelijkingen) als we daarmee bedoelen dat we in staat zijn om de theorie, het symbool of de zin te gebruiken voor een beschrijving van gekende feiten of de voorspelling van nieuwe feiten. (Carnap, 1939, De interpretatie van de fysica)

Het was Carnaps droom om een logische taal te ontwikkelen waarin je deze minimalistische houding ten aanzien van theorieën helder kunt weergeven. Alle theoretische concepten in zo’n taal, zoals E, hoef je dan niet te interpreteren: het zijn symbolen die afleidingen mogelijk maken van de ene observationele toestand van de wereld naar de andere. Symbolen geven geen inzicht. Ze creëren mogelijkheden om onze omgang met de wereld te unificeren – fysische theorieën hebben in dat opzicht een enorm succes met een specifiek domein van observationele toestanden. 

Carnaps minimalisme is interessant, omdat het probeert alle noties van inzicht en verklaring te zuigen uit één van de grote modellen van de wetenschap, de theoretische fysica. Voor Carnap is zo’n uitzuivering nodig, omdat de successen van dat domein snel gekaapt worden door allerhande misvattingen, alsof we onszelf of onze verhouding tot de wereld beter zouden begrijpen door wetenschappelijke kennis. Wetenschappelijke kennis, volgens Carnap, dient niet voor het opbouwen van een wereldbeeld. 

Voor Carnap was wetenschapsfilosofie de discipline die deze minimalistische interpretatie van wetenschappelijke kennis helder zou maken en verspreiden doorheen de wetenschappelijke disciplines en de samenleving. De nadruk zou komen te liggen op het verwerven van steeds efficiëntere symbolen die onze intermenselijke omgang konden bevorderen, waardoor we ons niet langer gingen bekommeren of erger nog strijden om het wezen van de wereld achter die symbolen. Wetenschapsfilosofie was voor Carnap doortrokken van dit normatief-minimalistisch ideaal; het moest nooit een discipline worden die terug zou keren naar een epistemologie van de wetenschap. Carnaps wetenschapsfilosofie was een kritiek, een poging om bepaalde filosofische theorieën af te zweren als oplossingen voor de verkeerde problemen. Het was een ideaal. 

8-10-19, Rudolf Boehm en de Elektrische Auto

In Pittsburgh is het stimuleren van fietsroutes door de stad een van de belangrijke beleidskeuzes van de burgemeester. Overal worden er fietsstroken op de grote banen aangebracht. Toch blijft het aantal fietsers in de heuvelachtige stad uiterst beperkt. Op zich niet verwonderlijk, aangezien er véél steile heuvels zijn in Pittsburgh, vele maten steiler dan de Gentse Sint-Kwintensberg, en ook veel langer. Waarom zou een mens de fiets gebruiken om zuchtend en zwetend op het werk te komen of na een lastige dag uitgeput het huis te bereiken, als er goedkope petrol is en comfortabele wagens?

Rudolf-Boehm-In-memoriam-900x600
Rudolf Boehm tijdens het bewuste interview

Vanochtend fietste ik gezwind de campus op, en ik zag een “Pitt” bestelwagentje de straat oprijden. Net zoals sommige UGent bestelwagentjes is ook de “Pitt” wagen elektrisch. In groene letters stond er op geschreven “Pitt is going green”. Ook hier draagt de universiteit haar kleine steentje bij in de strijd tegen de opwarming van het klimaat. Bij het zien van de slogan moest ik plots terugdenken aan wat de recent overleden Rudolf Boehm mij probeerde te zeggen toen we hem interviewden in februari van dit jaar. 

Als antwoord op de vraag of de protestbeweging van de jongeren betekenisvol was, stelde de oude filosoof een gemene tegenvraag. Hij richtte zich tot mij, en vroeg op een ondervragende toon, alsof het hier een examen betrof: “Mensen denken soms dat als je alle wagens vervangt door elektrische wagens, dat je dan een deel van het klimaat probleem hebt opgelost. Gelooft u dat ook?” Het was Boehms moment de gloire; deze vraag was geen vraag, maar een voorbereiding op één van de meest cruciale inzichten van Boehms filosofie. Technologische oplossingen zijn conservatief ten aanzien van het systeem dat de problemen genereert die de technologie moet oplossen. Met andere woorden technologie brengt geen wezenlijke verandering in een mensenleven. 

20190827_AO_Electric_Truck_0102_InsideDisplay.jpg

Op Boehms retorische vraag antwoordde ik dat elektrische auto’s niets veranderen aan de energieconsumptie van het totale systeem, en zolang de energie blijft afhangen van fossiele brandstoffen, heeft zo’n verandering geen impact op het klimaat. Ik antwoordde dus dat een energietransitie een belangrijker standpunt zou zijn dan het invoeren van elektrische auto’s. Boehm ging echter verder: energietransities, louter beschouwd als technologische omschakeling, raken ook niet aan de kern van de zaak. De omschakeling naar elektrische auto’s vereist dat de producenten hun productie blijven aanhouden. En die productie vergt machines en grondstoffen, die op hun beurt weer energie nodig hebben om geproduceerd en getransporteerd te worden. De energieconsumptie blijft dus toenemen, niet omdat we dat strikt nodig hebben, maar omdat de productie dit vereist. Elke technologische transitie houdt het systeem in stand houden dat streeft naar een toename aan de productie. En die toename is niet houdbaar: noch het ecosysteem, noch de mensen kunnen zo’n toename blijven ondersteunen. 

Boehm was dit punt al vijftig jaar aan het maken. Een toename aan wetenschappelijke kennis over de wereld of een toename aan technologische middelen kunnen niets veranderen aan het systeem dat produceert om de productie hoog te houden. Klimaatwetenschappers zullen de komende jaren met steeds betere modellen komen. Ze zullen betere kennis produceren over de impact van de temperatuurstijging, maar die kennis zal noodzakelijk machteloos blijven. Het probleem is immers een “economisch” probleem: het gaat over de keuzes van samenlevingen hoe zich te voorzien in hun noden. Hoeveel wetenschappelijke kennis je ook toevoegt, die gaan niet wegen op de keuzes. Daarvoor heb je kritiek nodig, de zoektocht naar een alternatief. Smartphones en klimaatmodellen zijn de grote idolen van onze tijd: we jagen ze na, omdat ze ons verblinden voor de wezenlijke vragen.

Waarom zou een mens de fiets gebruiken? Omdat de gemakkelijke oplossingen soms oplossingen zijn voor het verkeerde probleem. 

1-10-19, Het failliet van de wetenschapsfilosofie

In de gangen van het Center for Philosophy of Science in Pittsburgh hangen de folders van lezingenreeksen uit het verleden ingekaderd op in de gang. Het Center wil duidelijk haar positie als centrum van de wetenschapsfilosofie in de verf zetten: kijk, hier gaven Hempel, Salmon, Grünbaum, Rescher, Sellars, Van Fraassen, Kitcher, Feyerabend hun belangrijke lezingen. Hier gebeurde het – de hele instelling schreeuwt het uit: “hier is wetenschapsfilosofie tot stand gekomen!”

Versie 2
Met deze lijst getypt door Ernest Nagel begon het allemaal zo’n 60 jaar geleden, dé wetenschapsfilosofie

Maar wat maakte het uit? Gisteren in de supermarkt wierp de kassier de bezorgdheid op wat er met al die kinderen gaat gebeuren die opgroeien met een smartphone. Voor mij was er immers een moeder met twee peuters, waarvan eentje maar bleef zeuren om nu eindelijk zijn telefoon terug te krijgen. Smartphones zijn in Amerika overal, altijd. In het straatbeeld heeft iedereen zijn persoonlijke reclamemachine gretig vast. Betalen, rijden, denken, het gebeurt allemaal met Siri, Alexa of Google. De smartphone is ongetwijfeld de belangrijkste technologische vernieuwing van de laatste tien jaar, een resultaat van de tech-wetenschap. Een ander mooi resultaat van de laatste tien jaar in de wetenschap zijn de steeds uitgebreidere klimaat-modellen. Zo dominant als het effect is van de smartphone op het mensenleven, zo betekenisloos zijn de klimaat modellen. De samenleving van de VS schreeuwt gewoon “more power”: blijven produceren en blijven consumeren. De energieconsumptie blijft hier mooi omhoog gaan. De productie van die energie wordt hier nog volop verzorgd door traditionele bronnen. Tegelijk is iedereen bewust van die klimaatmodellen, van republikein Jan Modaal, tot democraat “Bernie is toch fantastisch, hé”, maar niemand wéét wat ermee te doen. Werken, consumeren, en verder gaan – de vraag wat het leven waard maakt om te leven buiten dat schema heeft hier weinig impact. Wellicht in België ook niet, en toch lijkt dat de cruciale vraag, de vraag waarvan de beantwoording het leven richting en betekenis geeft. Wat is het hoogste goed, dat waarnaar we streven in ons leven en wat het hoogste verlangen uitmaakt, waarvan al onze andere verlangens afhangen? Het is de openingsvraag van Aristoteles’ Ethica Nicomachea. En hoewel Pittsburgh ook het centrum is van de Aristoteles-revival in de wetenschapsfilosofie, heeft deze cruciale vraag het nog niet tot in het centrum gehaald.

Al die wetenschapsfilosofen in Pittsburgh zochten alleen maar wat het juiste beeld op wetenschap is, steeds dieper gravend in de details, steeds méér nuances en condities toevoegen. Ze dachten allemaal dat het nodig was om een juist beeld te krijgen op de belangrijkste epistemische praktijk die de moderne samenleving kenmerkt – allen dachten ze dat wetenschap de gouden poort naar de verantwoorde opvatting was, en de verantwoorde opvatting de rechte weg naar vooruitgang in het leven. Wat dat eerste betreft waren ze wellicht correct, wat dat tweede betreft zaten ze er wellicht naast. Mensen in de VS zijn nog steeds op zoek naar gemakkelijk genot, verstrikt in een zoektocht naar macht, opgeslokt door een teveel aan werk, worstelend met de veelheid aan emoties. Aristoteles’ probleem, namelijk hoe kennis te vergaren over het hoogste goed, en hoe precies in die zoektocht uitdrukking te geven aan het streven naar dat hoogste goed, dat probleem heeft geen betekenis gekregen in de wetenschapsfilosofie. Al die mannen (met uitzondering van Nancy Cartwright) die nu met hun lezing hangen in de gang, zaten er naast. De wetenschapsfilosofie heeft zich een eeuw lang de verkeerde vragen gesteld, of toch heel vaak. 

23-9-19, Linkse Academici zijn gevaarlijk

Zijn we niet te links? Zorgen we er niet voor dat “het debat” verarmt door linkse mensen in de echokamers van de universiteit samen te steken? Deze week domineert die gedachte in De Standaard. Niets nieuws. Ook aan het begin van de jaren ’50 waren veel mensen in de VS ongerust dat de universiteit vol zat met linkse denkers, die niet alleen de geesten van de Amerikaanse jeugd konden corrumperen, maar nog véél belangrijker in het geniep de Soviet Unie zouden ondersteunen. De FBI begon massaal dossiers aan te maken van alle vermeende communisten aan de universiteit. Eén van hun verdachten was de filosofie professor Rudolf Carnap, Duitser en geëmigreerd vlak voor de tweede wereldoorlog – dat hielp alvast niet.

fullsizeoutput_72
Rudolf Carnap in zijn latere jaren

Het FBI-dossier, geopend in 1954 en gesloten in 1955, telt een honderdtal pagina’s, en is reeds publiek beschikbaar voor inzage. Wat de FBI-agenten opschrijven en onderzoeken, kan je alleen bestempelen als hilarisch. Het dossier opent met een lange opsomming van Carnaps ondersteuning voor een reeks van pacifistische opiniestukken en organisaties. Na zijn deelname aan de eerste Wereldoorlog blijft Carnap voor de rest van zijn leven een vurig pacifist; hij zet dat engagement doorheen de hele jaren ’50 door. Carnaps naam valt daardoor vaak in de de krant “Daily worker”, dat de FBI-agenten doorheen het rapport constant benoemen als “Known communist East Coast Newspaper”. Aan het eerste rapport voegen ze wel toe dat Carnap “niet noodzakelijk een communist of een communistische sympathisant is”. In een tweede rapport gaan de agenten dieper graven: Carnap blijkt bevriend met ene Philip Frank, ook professor, ditmaal in de fysica, ook Duitser, en man die wel eens pacifistische initiatieven ondersteunt. Bovendien vissen de agenten via een informant uit dat de twee in het Duits corresponderen – uitermate verdacht! Dan komen ze te weten dat Frank en Carnap deel uit maken van een filosofische beweging die zichzelf “Logisch Empirisme” noemt. De agenten weten er echter weinig raad mee. Ze horen immers dat Louis Rougier de Franse exponent is van de beweging, maar Rougier is in Frankrijk bestempeld als een man van extreem Rechts. Bovendien vertelt hun informant dat Carnap het Neo-Thomisme heeft beïnvloed en de Franse katholieken heeft geïnformeerd over dat logisch empirisme. Ze hebben geen flauw benul wat het allemaal betekent. 

fullsizeoutput_74

Toch zet de FBI het onderzoek hardnekkig verder. Carnap is ondertussen verhuisd van Chicago University naar UC Los Angeles: het lokale bureau moet aan de slag om zijn nieuwe woonplek te identificeren. Ondertussen vinden ze steeds meer en meer petities die Carnap ondertekend heeft, ondermeer om ervoor te zorgen dat het recht op juridische vertegenwoordiging niet afgenomen wordt van mensen die verdacht worden voor communistische spionage – o, ironie. De agenten in Chicago en Princeton, waar Carnap een onderzoeksverblijf had gehad, beginnen ondertussen interviews af te nemen met mensen die hem kennen. Iedereen omschrijft Carnap als een afgesloten figuur, volledig ingenomen door zijn werk, dat, zo voegen ze eraan toe, trouwens geen kat begrijpt. Ze interviewen ook de buren van de Carnaps, maar ook die buren kunnen weinig over Carnap zeggen. Uiteindelijk bereiken ze John Von Neumann, prof aan Princeton, die hen verzekert dat Carnap niets met communisme te maken heeft. Er volgen nog verschillende interviews met mensen over het hele land, om toch maar te weten te komen of die linkse pacifistische grondwetsliefhebber echt wel te vertrouwen is. In juni 1955 geeft de FBI het op – ze sluiten gewoon het onderzoek.

Dit is geen mop. Dit is echt gebeurd. De meest onschuldige filosoof ter wereld, één van de grondleggers van de logica, is maandenlang ernstig onderzocht geweest, omdat hij pacifist was en in die hoedanigheid zijn naam liet zetten onder artikels en petities van wat een “communistische” krant werd genoemd.

Dat mensen in academia grotendeels antwoorden geven op een enquête die men als “links” bestempelt, is volgens mij volstrekt irrelevant. De cruciale vraag is of een verandering van die statistiek een noodzaak is om de functie van het instituut van de universiteit te verbeteren. En zolang de universiteit niet tot doel heeft om politieke stromingen te ondersteunen, lijkt die statistiek me geen enkel probleem. Dat er echokamers zouden zijn in academia, en dat er discriminatie is, is betreurenswaardig. Maar echo’s waarvan en discriminatie van wie? Links en rechts zijn hier geen goede categorieën om tot een beter inzicht te komen. Het zijn oppervlakkig clichés, en met elk enquête onderzoek kan je statistieken naar boven toveren over cliché categorieën. De FBI wist in 1954 duidelijk niet wat ze moesten onderzoeken: linkse sympathieën zijn zo’n brede notie dat ze al snel verward kunnen worden met rechtse. Na de tweede wereldoorlog is Rougier “rechts” en Carnap “links”. Voor de oorlog zijn ze alletwee “links”, terwijl er voor en na niets wezenlijks in hun ideeën en engagementen veranderd is. Goochelen met links/rechts clichés hoort thuis in het goedkope politieke debat, maar niet in het debat over de goede functionering van een universiteit. 

De ijzeren rede van Vermeersch en Thanos

Wat als de enige manier om de samenleving te redden van de ondergang inhoudt dat je een deel ervan moet vernietigen? Voor het Nazi regime was dit een ernstige vraag, en sinds hun bewind is het een vraag die vele slechteriken overgeërfd hebben in populaire films. Zo ook Thanos, de grote boesdoener in de recente reeks van superheldenfilms in het Marvel-Universum. Doorheen de films probeert Thanos zes Infinity-Stones in zijn bezit te krijgen. Deze zouden hem een ongeziene heerschappij verlenen over het hele universum. Sinds de film Avengers: Infinity Wars weten we ook wat Thanos met die ongelimiteerde macht wil bereiken: een willekeurige helft van de populatie in het universum uitroeien om daarna, volledig in vrede, op boosdoenerspensioen te gaan.

Thanos wil geen traditionele genocide plegen. Hij heeft het niet gemunt op een bepaalde soort van wezens. Wie precies sterft, laat hem koud – misschien wel Thanos zelf. Zijn doel is niet het uitroeien van mensen per se, als wel het universum behoeden van de ondergang. Thanos’ eigen planeet ging lang geleden ten onder aan overbevolking. De toenemende druk op het ecosysteem transformeerde zijn thuis tot een woestijn. Nochtans had Thanos een evidente oplossing voor het onontkoombare probleem bedacht: de uitroeiing van een willekeurige helft van de bevolking. Volgens Thanos een rechtvaardige, want blinde oplossing. De bevolking op Thanos’ thuisplaneet besliste echter niet mee te gaan in dat stoutmoedige plan, waardoor hun ondergang uiteindelijk onafwendbaar bleek. Sindsdien is Thanons erop gebeten de rest van het universum te behoeden voor een gelijkaardig lot. In een eindige wereld met eindige bronnen drijft leven noodzakelijk naar haar eigen vernietiging. Een ongecontroleerde toename van leven leidt tot een uitputting van de bronnen die dat leven ondersteunen, en zo tot een uitputting van de mogelijkheid tot leven. Thanos begrijpt zichzelf als een persoon die “de wil heeft om te handelen naar die kennis” – hij heeft de onbuigbare ijzeren rede die de naakte waarheid van het onafwendbare verval wil aanvaarden, in tegenstelling tot de zwakkere personen die deze waarheid weigeren onder ogen te zien.

Etienne Vermeersch

Thanos’ bekommernis is niet zo vreemd als zij lijkt. Ook de recent overleden filosoof, Etienne Vermeersch, werd vaak omschreven als een man met een onbuigbare ijzeren rede. Die bracht hem ertoe te pleiten voor een doortastende ingreep op de wereldpopulatie. Vermeersch dacht dat de helft van de Belgische bevolking “een redelijk aantal” was (A, p. 73) en zag de aarde het liefst bevolkt door slechts 1 miljard mensen (A, p. 110). Vermeersch’ argument voor die doortastende terugdringing van de bevolking was gelijkaardig aan dat van Thanos: ons huidig samenlevingsmodel zal noodzakelijk haar eigen mogelijkheid ondergraven. “Een systeem dat door zijn structuur zelf een ongebreidelde ontwikkelingstendens heeft, moet ooit eens te pletter lopen op het onomkoombare feit dat het in een eindige wereld functioneert” (A, p. 50) Het bestel van Wetenschap, Technologie en Kapitalisme (WTK) dat alle menselijke maatschappijen op aarde doordrongen heeft, leidt volgens Vermeersch tot een ethisch-ecologisch dilemma. Enerzijds kan men beslissen in te grijpen op de populatie van de aarde, zodat het WTK bestel draagbaar wordt binnen het beperkte ecosysteem van onze planeet. Of anderzijds laat men de bevolkingsgroei gedijen, maar dan moet men aanvaarden dat er grote welvaarts- en welzijnsongelijkheid is in de totale populatie van de aarde, met grote instabiliteit en lijden tot gevolg, en potentieel de totale uitputting van alle aardse ecosystemen.

Vermeersch’ beoogde doel is een stabiel maatschappijbestel dat de ecosysteemen van de planeet niet langer onder druk zet en geen grondstoffen meer uitput. Dat kan je alleen bereiken ofwel door de mogelijkheid van consumptie aan de meeste mensen te ontzeggen (ongelijkheid), ofwel door de bevolking drastisch te verminderen. Welvaart voor iedereen volgens de standaarden van een Westerse consumptiemaatschappij is nu eenmaal niet verenigbaar met de enorme toename aan mensen doorheen de 20ste eeuw. Vermeersch kan het streven naar welvaartsgelijkheid tussen alle mensen niet opgeven en pleit daarom in de Ogen van de Panda voor een radicale bevolkingsinperking. Die keuze komt voort uit Vermeersch’ standvastige idee dat de consumptiegerichtheid bij mensen onmogelijk aan te pakken is. In 1989 was het zijn voorspelling dat ontwikkelingslanden onvermijdelijk het consumptiemodel van het Westen zouden overnemen, met een enorme toename aan alle vormen van vervuiling tot gevolg. Vermeersch zag dit als een feitelijke kwestie: de toename en dominantie van die consumptiegerichtheid is, gegeven de ingesteldheid van areligieuze mensen, onvermijdelijk (A, p. 76). Voor Vermeersch is een ingreep op het aantal mensen de enige realistische ingreep om verdere ontregeling van het ecosysteem tegen te gaan. Hij omschrijft de mensheid als een kankergezwel van de planeet  (A, p. 75). De menselijke samenleving moet zichzelf genezen door uitzuivering. Er moet iets uitgeroeid of weggesneden worden.

Dit houdt voor Vermeersch twee processen in. Ten eerste een vervanging van onze huidige, vervuilende energiebronnen, zoals gas en olie. In de plaats moeten duurzame energiebronnen komen. Kernenergie zag hij daarbij steeds als een overgangsbron die we zo snel als mogelijk moesten verlaten (A, p. 78). Ten tweede een drastische ingreep op de bevolking. Voor Vermeersch waren er te veel mensen, in de industrielanden, in de derde wereld, overal eigenlijk. “Het enige demografische probleem van België blijft het feit dat er teveel Belgen zijn; het enige demografische probleem van Duitsland dat er te veel Duitsers zijn, enz…” (A, p. 74). Net zoals Thanos hamerde Vermeersch op deze onaangename waarheid. De Chinese een-kind-politiek lauwerde hij als een “lichtend voorbeeld” (A, p. 72). Vermeersch geloofde nooit in een natuurlijke demografische transitie, waarbij de nataliteit van bevolkingsgroepen van zelf zou dalen onder invloed van een toenemende welvaart. Allerhande socio-culturele factoren zouden zo’n natuurlijke transitie tegenwerken (A, p. 67). Voor Vermeersch moesten overheden overal ter wereld ingrijpen: “ingrepen op het procreatiegedrag kunnen nooit zo erg zijn als de catastrofes die veel van die landen anders te wachten staan” (A, p. 72).

In de laatste jaren van zijn leven richtte die bekommernis zich in eerste instantie op bevolkingsgroepen uit Afrika en het Midden-Oosten. Volgens hem hadden vluchtelingen uit Syrië geen terughoudendheid om kinderen te krijgen in tijden van oorlog, in tegenstelling tot de Europeanen tijdens de tweede wereldoorlog. (B) Hij dacht ook dat Koeweiti een uitzonderlijk hoog geboortecijfer hadden ondanks hun welvaart (dit blijkt weliswaar vals te zijn). Omdat hij een duidelijk mentaliteitsprobleem zag bij niet-Europese bevolkingsgroepen, pleitte Vermeersch vaak voor maatregelen die op hen betrekking hadden. Zo stelde hij voor om ontwikkelingshulp te koppelen aan sterilisatie: na de aardbeving in Haïti had men, volgens Vermeersch, beter 500 euro gegeven aan wie zich wou steriliseren. “Wat baat het dat we ze steunen en ze vervolgens met een reeks kinderen afkomen die ze toch niet kunnen opvoeden?” (C) Lijden kan je beter voorkomen – nog een gedachte die Thanos en Vermeersch delen. Thanos moordt immers vaak de helft van de populatie van een planeet uit, zodat de andere helft de mogelijkheid krijgt in gelijk verdeelde welvaart verder te leven.

In 1989 meende Vemeersch dat de ecologische ineenstorting van de planeet slechts uitgesteld kon worden in de mate waarin men ongelijkheid in de wereld zou tolereren (A, p. 77). Dertig jaar later blijkt dat hij gelijk had. Als iedere inwoner op aarde dezelfde CO2 uitstoot had als een Europeaan waren de ecosystemen over de hele wereld op dit moment ernstig verstoord. Ons hele bestel draait momenteel nog op volle toeren dankzij de enorme ongelijkheid tussen mensen over de hele wereld. Voor Vermeersch was dit onaanvaardbaar, en kon je dus best de bevolkingsgroepen van arme mensen zo snel als mogelijk beperken, weliswaar niet door ze uit te roeien, maar wel door ze van voortplanting af te houden.

Het belangrijkste argument dat de strijdende Marvel superhelden tegen Thanos inbrengen is dat hij niet weet wat er met het universum zal gebeuren bij ongebreidelde groei. Met Vermeersch’ ideeën kunnen we minstens stellen dat we verantwoord zijn om het ergste te vermoeden: ofwel massale ongelijkheid, ofwel ineenstorting en uitputting van onze omgeving. Thanos en Vermeersch zijn niet verkeerd!

Een centraal keerpunt in alle Marvel-films is het moment waarop de held of het collectief van helden het verstorende element verslaat en een balans in de wereld herstelt. Thanos legt bloot dat die balans waar de helden in alle films naar op zoek zijn, een illusie is. De helden zijn beschermers van een bestel dat uitmondt in ongelijkheid, lijden en verval. De films zelf zijn hier ook voorbeelden van: zij zijn het verdovende massa-entertainment voor de Amerikaanse samenleving waar ongelijkheid en uitbuiting welig tieren, en waar de klimaatproblematiek zo goed als geen impact heeft op het collectieve gedrag. De Verenigde Staten hebben zich teruggetrokken uit de klimaatakkoorden, net zoals de superhelden weigeren Thanos’ motieven te overdenken. De status quo van de Amerikaanse samenleving is het ultieme doel van de helden, en de films. Op geen enkel moment stopt Tony Stark, a.k.a. Iron Man, om te suggereren: “hé, Thanos we kunnen ook ons samenlevingsmodel omvormen!” Noch de superhelden, noch Thanos, noch Vermeersch nemen die optie ernstig.

Vermeersch’ collega Rudolf Boehm geloofde wel in die piste. In tegenstelling tot Vermeersch dacht Boehm dat mensen een onderzoek kunnen inrichten naar hun reële behoeften, onafhankelijk van de behoeften gecreëerd door de consumptiemaatschappij. Zo’n onderzoek zou voor Boehm de aanleiding zijn voor een zoektocht naar een alternatief samenlevingsmodel – een zoektocht die Vermeersch volstrekt vreemd was. Boehm benoemde die zoektocht naar een alternatief kritiek, en kritiek was volgens Boehm de functie van de filosofie (D, p. 36). Vermeersch zag dat anders: filosofie was een wachtkamer voor de wetenschap, een vorm van denken die vragen behandelde die nog niet door de wetenschap konden beantwoord worden – nog niet, filosofie moest de geest aan de lijn houden tot “de wetenschap” een antwoord gaf. Boehm pleitte doorheen de jaren ’70 en ’80 voor een bezinning over de drang naar productietoename in een globaliserende wereld. “Zijn we in feite niet ‘nergens’ met de bestrijding van de crisis binnen het bestaande economische systeem en met de vooruitzichten op een herstel van de leefbaarheid binnen dit systeem zelf? Zijn zij die zich wanhopig blijven inspannen om binnen dit systeem nog een uitweg uit de crisis te vinden niet de ware, irrationele en wellicht zelfs gevaarlijke utopisten?” (D, p. 129) De constante zoektocht van de superhelden om de status quo te herstellen, dat is voor Boehm de ware utopie, de uitzichtloze, onophoudelijke cyclus in de richting van verval.

Vermeersch’ ijzeren rede bracht hem met betrekking tot de klimaatproblematiek vaak tot ideeën die sommigen als ‘gevaarlijk’ zouden omschrijven. In tegenstelling tot Thanos wou Vermeersch niet rechtstreeks ingrijpen op het sterftecijfer. Maar direct ingrijpen op het geboortecijfer zag Vermeersch wél als een aanvaardbare, zelfs noodzakelijke keuze. Mensen laten steriliseren in ruil voor geld is zo’n directe ingreep, één die uiteraard gericht is op de onderbedeelden in een bevolking. Het grotere doel, namelijk een terugdringing van de bevolkingcijfers, rechtvaardigt dit echter in Vermeersch’ visie, en het is dezelfde rechtvaardiging die Thanos gebruikt voor zijn massamoorden. Die rechtvaardiging steunt op een belangrijke premisse: een ander samenlevingsmodel is geen reële mogelijkheid. Ook de superhelden delen die premisse.

In een afscheidstekst ter gelegenheid van Boehms pensioen verdedigde Vermeersch de idee dat het streven naar wetenschappelijke kennis en technologische vooruitgang intrinsiek goed zou zijn voor menselijke samenlevingen. Hij dacht immers dat “het theoretische weten en de technologische productiewijze en vooral hun synergie een soort onzichtbare hand in werking zet, die ervoor zorgt dat, hoewel hun dynamiek niet gestuurd wordt door aandacht voor menselijke noden, deze uiteindelijk toch op de meest efficiënte manier worden bevredigd” (E, p. 86). Vermeersch postuleert in de tekst een mysterieuze onzichtbare hand die technologie, wetenschap en menselijke noden in synergie brengt. Maar vier jaar daarvoor, in  De ogen van de panda, had Vermeersch reeds toegegeven dat volgens zijn eigen inzicht de balans in onze samenleving enkel behouden kon blijven mits een enorme ingreep op de populatie van onze aarde. Vermeersch’ onzichtbare hand was in werkelijkheid een harde maatregel die miljarden mensen zou treffen.

Het gevecht dat Thanos en de superhelden doorheen de Marvel films met elkaar aangaan, is reëel. New York wordt weliswaar niet kapot geschoten en er landen ook geen alien monsters in Oeganda. Toch is de strijd tussen populaties vandaag onophoudelijk aanwezig: de ongelijke verdeling van welvaart en vervuiling is een reëel fenomeen. De superhelden zijn in onze wereld het hele apparaat van instellingen die de structuren van productie en consumptie en de bijhorende vervuiling in stand houden. Het kamp van Thanos en Vermeersch vindt voorlopig nog weinig ondersteuning, maar hoe meer het klimaat verandert door toenemende vervuiling, hoe meer de optie om actief populaties in te perken zichzelf zal opdringen. Boehm’s piste om kritisch een alternatief op te zoeken en het aan te wijzen, lijkt aantrekkelijk. Alleen is de omvang van de zoektocht naar het alternatief ondertussen zo groot dat ze bijna onvatbaar is geworden: hoe we werken, wat ons geld is, welke ambities we hebben in het leven, wat we eten, hoe we ons verplaatsen, welke kleren we dragen, hoe we informatie delen, het zou allemaal anders moeten. In 1984 verzamelde Boehm al zijn maatschappijkritische teksten in een boek met de achteraf gezien grappige titel Aan het einde van een tijdperk. Stuk voor stuk zijn het beangstigend relevante teksten. Beangstigend omdat vijf en dertig jaar later er niets veranderd is, alleen zegt de klimaatwetenschap nu ook in officiële rapporten dat er een onontkoombaar probleem is met het huidige samenlevingsmodel. Onze keuzes zullen bepalen welke samenleving we worden: één van toenemende ongelijkheid en uitbuiting, één van populatie controle, of één van kritische transformatie. Hoe we met z’n allen die keuze beleven, zal bepalen welke weg het uitgaat.

 

A: Etienne Vermeersch, De Ogen van de Panda, Houtekiet, 2019

B: Interview met De Standaard, 17 november 2018,

https://www.standaard.be/cnt/dmf20181116_03949934

C: Interview met doorbraak, https://doorbraak.be/etienne-vermeersch-men-schijnt-onvoldoende-te-beseffen-wat-er-op-ons-afkomt/

D: Rudolf Boehm, Aan het einde van een tijdperk, EPO, 1984

E: Etienne Vermeersch, ‘Naar een niet aliënerende wetenschap en technologie?’ in: In Verhouding (Willy Coolsaet, ed.), p. 83-87

13-5-19, Eentje uit de goeie oude doos

16 juli 1990, een decoratieve glazen stolp voor sierbollen wordt omhuld door krantenpapier en weggestoken in een doos op zolder. 12 mei 2019, de stolp wordt uitgepakt en weggegooid. Ze verdween achttien jaar en driehonderd dagen uit het bestaan van de wereld en keerde daarna als afval terug. Haar langdurige verdwijning was nodig om haar tot afval te transformeren. Op het moment van inpakken was zij nog verbonden tot haar eigenares, als kostbaar bezit van een familielid. De tijd doorgebracht in een doos verandert weliswaar niet het object, maar geeft de wereld errond wél de gelegenheid daartoe. Het familielid is ondertussen overleden, de esthetiek van de woonkamer waaraan de vaas haar bestaan dankte ook. Dode mensen bewaard in dozen worden na verloop van tijd op eenzelfde manier afval – gemeentes ruimen geregeld hun kerkhoven op. En als objecten of mensen in dozen lang genoeg weerbarstig hun conceptualisering als afval uitstellen worden ze potentieel ‘historisch’. Zo verwordt zelfs wat ooit afval was tot teken van een vervlogen leefwereld, klaar om ingeschakeld te worden in een narratief over mensen en hun werelden. Dan komen die objecten in musea en catalogi – tot ze ook daaruit weer verdwijnen en afval worden.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Wat genoeg potentieel in zich draagt om ooit historisch te worden, is een lastige keuze. Archivarissen maken die keuze iedere dag. De dozen die zij kunnen bewaren zijn beperkt, net zoals onze dozen op zolder. Het is een illusie te denken dat we het “allemaal” bijhouden, of zelfs kunnen bijhouden. Bijhouden impliceert dat de bewaarder een mogelijkheid wil openhouden, dat het bewaarde relevant zou kunnen zijn in de toekomst, als herinnering, als bewijs voor een gebeurtenis, om een vaardigheid opnieuw te leren, enz. Het opruimen van een zolder brengt die openheid uit het verleden opnieuw naar voren: ooit dacht je dat het object in de doos nog van waarde kon zijn. Wat je bijhoudt, vertelt vooral iets over wie je was in het verleden. Wat je weggooit, vertelt iets over wie je bent in het heden, maar sluit ook evenzeer definitief af wie je kunt zijn en hoe je voorgesteld kunt worden in de toekomst. Weggooien is betekenisvoller dan bijhouden. Het sluit af wat ooit open gehouden werd. En toch moeten we weggooien. Wie alles maniakaal bijhoudt, om alle mogelijkheden open te houden, leeft in een permanente toestand van openheid. Zelfs de ingevulde invulboekjes uit het tweede leerjaar zijn dan nog niet afgewerkt, of die tekeningen uit het eerste middelbaar nog niet zonder zin. Dan is het openhouden van mogelijkheden tot verdere zelfontplooiing een illusie geworden, dat je verleden eeuwig een eindeloze poel van potentialiteit kan blijven. Kan het verleden van een persoon als een verzameling van mogelijkheden beschouwd worden die enkel met de tijd toeneemt? Alsof de mogelijkheid om kunstschilder te worden op je 13de nog dezelfde mogelijkheid is op je 55ste? Dat kan alleen als die persoon geen ontwikkeling heeft doorgebracht, als het in wezen in dezelfde persoon, als de horizon van de toekomst doorheen de jaren altijd dezelfde is gebleven. Dat is onmogelijk.

We gooien weg. Iedere dag gooien we weg.